woensdag 25 juni 2008

A salty ring of night fatigue

We gaan steeds verder terug in de tijd: 2 augustus 2004. Dit was voordat ik het nummer Sun Replace The Moon had geschreven. Dit is nog in de tijd dat ik het grappig vond om bepaalde rare namen voor dingen te gebruiken,die eigenlijk gewone dingen waren in disguise, enfin. Heeft... ik vind dat het een beetje iets Space Odyssee achtigs heeft, het einde daarvan dan, maar dit is lang voordat ik die film gezien had. Ik had wel net Matrix Reloaded in de bios gezien volgens mij.

De Druppel Van Het Dertiende Uur

Bert was al in de winkelstraat die precies in het midden lag van de weg van het station naar huis, toen er iets vreemds gebeurde. Uit het niets zo leek het, hield een man hem aan, gehuld in een donkere groene mantel met een kap die het grootste gedeelte van zijn gezicht bedekte en over de rest een donkere schaduw wierp, zodat ook dat gedeelte ononderscheidbaar was.
"Weet u de weg naar Surtie - Nooklok?" vroeg hij, met een kalme, gemiddeld lage stem, die aan de ene kant een bepaalde loyaliteit aangaf en aan de andere kant een zekere verhevenheid, die echter verre van arrogant was.
Bert die dit allemaal niet door had en dacht dat hij te doen had met een buitenlander die enkele woorden Nederlands sprak, antwoordde: "Dat Sur...Surtie...nou ja, die plek die u noemde ken ik niet, maar ik zou u de weg naar de Breestraat kunnen wijzen, mocht u dat bedoelen."
"Nee", antwoordde de man, "dat bedoel ik niet. Als ik Surtie - Nooklok zeg, bedoel ik dat ook. Maar ik had het al verwacht. Mocht Tae - Mèr op uw pad verschijnen en naar mij, Stob - Wotz, vragen, zeg hem dan dat ik in die richting ben gegaan."
Tijdens die laatste woorden wees hij achter zich.
"Nou", zei Bert verbaasd, "mij best, hoe heette u ook alweer? Stop...?"
"Stob - Wotz, vergeet het niet. En de man die ik zoek, en die mij zoekt, heet Tae - mèr".
"Stopwots en Taimer, pff, nou mij best, en tot ziens maar weer", zei Bert die over zijn verbaasdheid heen was en schoon genoeg begon te krijgen van de buitenlander met zijn mysterieuze gedrag en zijn moeilijke woorden.
"Jat tot ziens, wie weet," sprak Stob - Wotz, zonder zichzelf duidelijk te maken. Opeens draaide hij zich om en liep in de richting die hij daarvoor aangekondigd had en verdween algauw tussen de mensen. Bert bleef staat om hem na te kijken. Toen draaide hij zich om en liep verder. Hij voelde een stevige wind in zijn nek blazen die weinig goeds voorspelde. Bert keek naar de lucht en zag dat de blauwte die de lucht tot dit moment geregeerd had, van zijn troon was gestoten door donderwolken.
"Het zal wel gaan regenen", dacht Bert, en meteen voelde hij de eerste druppels in zijn haar.
"Mooi is dat", mopperde Bert. Maar wat hij misschien voor de rest wilde mopperen bleef onuitgesproken, want Bert zag opeens iets dat zijn aandacht trok. Iets verderop bleef namelijk een druppel stil in de lucht hangen en scheen Bert aan te kijken.

Verbaasd liep hij op de druppel af, die daar doorzichtig en majestueus op hem wachtte. Bert stond voor de druppel en keek er aandachtig naar, iets weerhield hem ervan het ding aan te raken. Terwijl hij zich afvroeg hoe dit alles mogelijk was, gleden zijn ogen over de weerschijning van de zon, of ander licht, op de druppel. En voor hij het wist stond Bert naar deze smalle streep licht op de voor de rest doorzichtige druppel te staren. Hij kon zijn ogen er niet meer vanaf houden. De lichtweerschijning scheen hem toe als een kier van een openstaande deur, die hem een blik gunde in het binnenste van de druppel. De druppel leek wel doorzichtig maar was dat natuurlijk niet, want er was immers niets te zien van wat er in de druppel was, behalve dat wat zichtbaar was door het kiertje van de deur. Bert kreeg een onweerstaanbaar verlangen te weten wat zich in de druppel bevond, hij wilde dat hij kleiner was zodat hij door de deur zou kunnen glippen. Hij keek steeds nauwkeuriger in de zee van goud licht, en toen hij heel goed keek zag hij een groen puntje door de deuropening. Een klein groen puntje waar niets van te maken was. Dit moest het verste punt zijn van wat zich in de druppel bevond, dat je vanuit de buitenkant kon zien. Bert keek met toegeknepen oogleden naar het groene puntje en probeerde te zien wat het was. Toen hij heel goed keek zag hij stukjes blauw tusen het groen. En toen zag hij het: het was een groep bomen, het blauwe dat hij zag waren gedeeltes van de blauwe lucht die tussen de bladeren soms zichtbaar waren. Als Bert goed keek zag hij ook nog een streepje blauw door het groen heen lopen. Toen hij nog zorgvuldiger keek zag hij dat het een rustig kabbelend beekje was. Als Bert nog beter keek kon hij rode stipjes zien bewegen, dit waren rode vogeltjes die van boom tot boom vlogen. Maar opeens vlogen alle vogels weg want van achter de bomen kwam een oude man met een kaal hoofd en een lange dunne witte baard aangelopen. Hij ging op een hoge steen zitten die bij de beek stond. Toen hij er bovenop zat en er toevalig een goud streepje zonlicht tussen de bladeren door precies op zijn hoofd scheen, leek het alsof de man een koning was. Hij keek naar de beek. Of eigenlijk keek hij ín de beek, hij scheen door de beek heen te kijken in verre dieptes, waarvan anderen het bestaan niet eens wisten. Opeens keek hij op, recht in Bert's ogen.

"Ken ik u?" vroeg hij met een stem die Bert bekend voorkwam, "mijn naam is Tae - Mèr."
Bert schrok op bij het horen van die naam. "Bent u Taimer? Mooi, want ik kwam net Stopwots tegen, en die zei tegen me dat als ik Taimer, u dus, tegen zou komen, dat ik moest zeggen welke kant hij op was gegaan en dat is..."
"Wat je zegt is nogal eigenaardig" onderbrak Tae - Mèr hem, "want ikzelf ben Stob - Wotz".
"Huh?" zei Bert, "maar u was toch Taimer?"
"Ja dat klopt", antwoordde Tae - Mèr, "daar ben ik al jaren geleden achtergekomen."
"Maar hoe kunt u dan ook Stopwots zijn? En trouwens, de Stopwots die ik zag was veel jonger, denk ik. Maar...nou ja hij had in ieder geval geen baard. En hij zocht naar Surtie Nogwat."
"Surtie Nooklok? Dat is hier" zei de man, en hij spreidde zijn armen. "Je bént in Surtie - Nooklok. Ik ben er al jaren, de tijd dat ik er naar op zoek was is lang geleden. Toen ik nog Stob - Wotz was."
"Maar hoe kunt u nou Stopwots en Taimer zijn als u naar hem op zoek was, en hij naar u?"
"Dat klopt, ik was ooit naar hem op zoek, en hij naar mij. En toen we elkaar vonden bleek dat we allebei ik waren. En nu ga ik weer eens verder, tot ziens maar weer."
En hij sprong van de steen af en rende weg, met een snelheid die men niet van zo'n oude man zou verwachten.
"Hé maar wacht maar hé" riep Bert, "waar moet ik naar toe? Hoe kom ik thuis?"
Tai - Mèr stond stil en draaide zich om naar Bert. "Je bevindt je in Surtie - Nooklok", riep hij, "je bént thuis." Toen draaide hij zich terug en rende verder en was al spoedig uit het zicht verdwenen.

Bert stond sprakeloos op het gras. Hoe kwam hij hier trouwens? Hij herinnerde zich dat hij naar een druppel keek. Was hij in de druppel? Hoe kwam hij er weer uit? Hoe was hij er in gekomen? Hij keek naar zijn handen. Oude rimpelige bleke handen waar de aderen duidelijk in te zien waren. Dit waren niet zijn handen! Nog niet in ieder geval. Hoe lang had hij in de druppel gekeken? Minutenlang? Jarenlang? Bert keek naar zichzelf in de spiegeling van het beekje. Een oude rimpelige man, met grijs haar, die een beetje op Bert leek. Was hij dat? Was dat hem, zoals hij eruit zou zien als hij oud was? Was hij oud? Zijn hoofd tolde.
"Hoe kom ik hieruit?" riep hij. Hij schrok van zijn eigen stem, die was krakerig en trillerig.
"Er is maar één weg" sprak iemand.
Geschrokken keek Bert om zich heen.
"Links van u". Bert keek naar links, een boom keek hem aan met wijze ogen.
"Pratende bomen, ook dat nog" zei hij verslagen.
"U hebt niet echt geluk gehad" sprak de boom kalm, "van alle druppels die er in één Tijd naar beneden vallen, overal ter wereld, keek u juist in die van het dertiende uur."
"Het dertiende uur?" vroeg Bert weinig beleefd. "Wat bedoelt u?"
"Dit is het dertiende uur van Tae - Mèr" antwoordde de boom, "ik zette hem gelijk en liet hem aflopen."
"Waar aflopen?"
"Nergens af, gewoon af, tot hij wist wie hij was en waar hij was."
"Wat heeft dat te met mij te maken? Waarom ben ik hier?"
"Ik weet ook niet waarom Tae - Mèr jouw uitkoos, maar nu ben je er en je hebt twee keuzes. Of je blijft hier in vrede, waar het veilig en rustig is, óf je gaat terug. Ik zou persoonlijk voor het eerste kiezen."
"Wat? Hier blijven?" riep Bert, "over mijn lijk! Ik wil terug."
De boom zuchtte, "het is ook altijd hetzelfde, nou vooruit, naar de volgende Tijd met jouw. Ik zie je nog wel eens terug, wanneer de Tijd daar is."
"Ja wie weet wie weet" sprak Bert ongeduldig, hij wilde zo snel mogelijk terug, "hoe moet ik lopen?"
"Hierlangs graag" sprak de boom en deed een stap opzij. Een gat in de grond verscheen op de plek waar de boom eerst stond, met een trap naar beneden. De aanblik hiervan monterde Bert dusdanig op dat hij ineens zijn lessen in de beleefdheid weer herinnerde.
"Bedankt heer Boom", sprak hij vrolijk, "ik hoop u nog eens terug te zien, maar niet hier."
"Waarschijnlijk wel", sprak de boom bedachtzaam.

"Nou ja, tot ziens", groette Bert en toen rende hij de trap af naar beneden. Althans, de eerste drie treden, want toen was hij moe.
"Mijn arme oude botten" sprak hij terwijl zijn adem piepte en hij een hand op zijn ribben legde en hij zich afvroeg waarom hij dat zei. De rest van de treden liep hij rustig. Beneden zag het eruit als een metrostation, zoals die te vinden zijn in Parijs. Zodra Bert beneden was, kwam er een metro met piepende remmen voor zijn neus tot stilstand en de deuren klapten open. Na een reis die, zo leek het, enkele maanden duurde begon de metro weer te remmen.
"Uitstappen" beval een galmende stem door de luidsprekers, die Bert nergens kon vinden. De stem klonk warm en rustgevend en tegelijkertijd kil en vijandig. De deuren klapten open en Bert liep naar buiten. Dacht hij. Tot hij merkte dat hij naar buiten werd getild. Er kwam ook een vreemde verandering over hem. Hij zag alleen zwart en wit en heel wazig, pas na een tijdje zag hij weer wat kleuren. En hoewel hij die heel mooi vond, vond hij het voor de rest helemaal niet prettig. Het was koud, en de ruimte was vol vrolijke stemmen die hem beangstigden. Hij begon te huilen en toen te krijsen. Hij wilde niet hier zijn, hij wilde weer terug zijn bij de beek, bij de wijze boom.
"Ach kijk, het is een jongetje", sprak een vrouwenstem.
Maar hij wist niet meer wat dat betekende.

Geen opmerkingen: