zaterdag 10 mei 2008

Inpeperficatie

Toen ik geboren werd wist ik het nog niet maar toen ik op mijn vijfde piano begon te spelen begon me iets te dagen. De toekomst die voor me lag was spannender dan mijn ouders hadden kunnen vermoeden. Op mijn vijftiende schreef ik mijn eerste nummer van waarde, op mijn een, tweeentwinstigste had ik mijn zes albumlange oeuvre voltooid en nog vier jaar later uitgebracht. Eerst kleinschalig toen grootschalig en tenslotte megaschalig, vooral ook meegeholpen door de delicate actiobiografabel die ik schreef over het project dat uiteindelijk leidde tot grote undergroundberoemdheid. Het eerste album (de chaotische en in zijn oppervlakkigheid pure) over puberaliteit, drank, seks, mezelf. Het tweede album (de harmonieuze en in zijn allegoriteit bombastische) over Miriam, mezelf, bepaalde...middelen...bepaalde middelen.... Het derde album (de eerlijke en in zijn introsepectiviteit hysterische) over de backlash daarvan, mezelf, Miriam, mijn broertje. Het vierde album (de lichte en in zijn simpelheid lieflijke) over het een en ander, de zomer, de onbelangrijkheid. Het vijfde album (de ingewikkelde en in zijn beknoptheid uitgebreide) over zichzelf, het metaniveau. Het zesde album (de ultieme en in utopia authentieke) over al het voorgaande en het komende, alles. Ik kreeg een nobelprijs voor de literatuur en een pakketje, afzender Bop Billen, met een briefje (officieel in het engels): Beste van Engelenhoven, hier een cadeau ter felicitatie met je prijs, de prijs die ik nooit heb gekregen, de bedoeling is het op te drinken. Met vriendelijke groet de jongleurs en de clowns. In het pakket zit een beker een gouden beker, de graal wellicht, afgezet met robijnen en smaragden. Ik haal de deksel van de beker, toch niet de graal eerder een thermoskan. Ik kijk naar buiten. Daar zie ik iemand een huis bouwen met klei. Sufferd, denk ik, wat nou als het gaat regenen? Daar, buiten, lopen de salesmen of the night, de zielige vieze eenzame mannen, de tamboerijnspelers, de vioolspelende engelen (en de dikke die het koper voor zijn rekening neemt) en wat al niet meer. Here goes krijs ik in mijn inmiddels wereldberoemde hairmetalfalsetto en sla het groenige zwartige met kikkerdril belegde goedje achterover, als was het een beroemde Fazant.ja. fazant. En paboem daar lag de zevenentwintigjarige cultkoning van de jaren tien in de hotelkamer, als een kameel, met een potlood in zijn hand, zijn ogen in zijn zakken, zijn neus op de grond, de oordoppen evengoed in, het gekregen bot op zijn nachtkastje, zijn zojuist teruggebrachte keel in tact, zijn lievelingsboek van F. Scott. Fitzgerald op zijn vensterbank en een telefoonboek vol houthakkers. En in de anachronie was het nummer Like A Rolling Stone geschreven.

1 opmerking:

Frans zei

Geen fazant, maar een hoen. Een korhoen. Koekenbakker. En ik vind dat je eigen autobiografie schrijven voordat je feitelijk geleefd hebt een briljante vinding is.