vrijdag 18 januari 2008

In my time of dying

Voordat ik ga pianospelen moet ik even kwijt dat ik gister een aantal vreemde dingen meegemaakt heb.
Ten eerste heb ik van de moeder van een bepaald object, object ja, een sloof gekregen. Voor in de keuken, een keukensloof. met een gedicht er op.
Ten tweede kreeg ik daarna de lekkerste jachtschotel die je je voor kan stellen. met ijs toe, heel lekker ijs met advocaat en kersen en chocoladesaus en een koekje.
Ten derde duurde het daarna niet lang tot uit de schaduw van mij en het voorgenoemde object, of uit de spiegel ofzo twee duistere individuen gewandeld kwamen met lame snorretjes en vreemde hoeden, en met hele rare namen. Namelijk Carl Piccadilly & Jesse LaChiffre.
Ten vierde sloegen ze mij en het object vervolgens bewusteloos.
Ten zesde werd ik de volgende dag wakker in een roze ingerichte suite met een vleugel en een parkiet in een kooi, duurde het eindeloos voor ik de uitgang gevonden had die zich vreemd genoeg aan het plafond begaf, waarop ik met veel spullen moeite en na van vrijwel het volledige interieur een mooie toren gebouwd te hebben waarop ik klommen kon, voorgenoemde uitgang ook te bereiken en tenslotte naar buiten te stappen, enkel om te zien dat ik in een kamer vol spiegels beland was. En het enige wat ik kon zien was mij. En ik nam mijn ziel en sloeg de spiegels kapot. en nu is de hele wereld vrij voor mij om te zien. En nu is de hele wereld vrij voor mij om te zijn, pardon zien.
En op de zevende dag begon ik te snurken.

NOOIT

Geen opmerkingen: